vrijdag 24 maart 2023

In Taipei, maar niet van Taipei

Omslag van de tweetalige editie van Taipei People 

De titel van Taipeiers (Taibeiren 《台北人》) is geleend van het boek Dubliners van James Joyce, maar de centrale tragiek van Taipeiers is dat de personages juist géén Taipeiers zijn. Ze zijn Shanghainezen, Sichuanezen, ze komen uit Guilin in het zuiden, uit Beijing in het noorden. Ze wonen in Taipei, maar het is niet hun thuis. Hun thuis is elders.

De bundel Taipeiers (Taibeiren 《台北人》) van Pai Hsien-yung verscheen in 1971, nadat de verhalen vanaf 1966 los van elkaar waren gepubliceerd in het Taiwanese tijdschrift Moderne literatuur (Xiandai wenxue 現代文學). De titel van het boek is geleend van het boek Dubliners van James Joyce, maar de centrale tragiek van Taipeiers is dat de personages juist géén Taipeiers zijn. Ze zijn Shanghainezen, Sichuanezen, ze komen uit Guilin in het zuiden van China, uit Beijing in het noorden. Ze wonen in Taipei, hoofdstad van Taiwan, maar het is niet hun thuis. Hun thuis is elders.

Taiwan is tegenwoordig feitelijk een zelfstandig land, maar het is in de loop van zijn geschiedenis in vele verschillende handen geweest. Vanaf 1895 was het een Japanse kolonie. Nadat Japan in 1945 de Tweede Wereldoorlog had verloren, werd het eiland teruggegeven aan China. China, dat was op dat moment de Republiek China, geleid door Chiang Kai-shek en zijn nationalistische partij, de Kuomintang (KMT). Zo werd Taiwan dus onderdeel van de Republiek China.

De KMT was sinds 1927 in oorlog met de Chinese Communistische Partij (CCP). Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden de twee kampen samen opgetrokken tegen de Japanners, maar toen die eenmaal verslagen waren, pakten ze hun burgeroorlog weer op. De CCP rukte overal op, de KMT moest zich steeds verder terugtrekken en begon met een grootschalige evacuatie naar een goed verdedigbaar stuk van de Republiek China: het eiland Taiwan. Ambtenaren, het leger, hun familieleden, overheidsreserves, de kunstschatten uit het Paleismuseum: allemaal werden ze naar Taiwan verscheept, om daar veilig af te wachten tot de KMT het vasteland zou heroveren.

Toen Mao Zedong in 1949 in Beijing de Volksrepubliek China uitriep, was op het heroveren van het vasteland voorlopig geen uitzicht meer. Van de Republiek China was nu alleen Taiwan nog over, waar Chiang Kai-shek en de zijnen regeerden. Alle contact met het Chinese vasteland was afgesneden.
 
Portret van auteur Pai Hsien-yung. Oudere Aziatische man, glimlachend, grijs haar, zittend voor een witte muur. Op de achtergrond een kalligrafieschilderij met de tekst Taibeiren en een schilderij van een plantje op een houten tafel.
Auteur Pai Hsien-yung
De verhalenbundel Taipeiers laat zien wat de gebeurtenissen met de evacués doen. Schrijver Pai Hsien-yung (1937), zelf ook kind van een uitgeweken KMT-generaal, portretteert in deze verhalen personages uit alle lagen van de bevolking, van een prostituee en een tuinman die het weinige wat ze van het leven te verwachten hadden teruggebracht zien worden tot nog minder, tot oud-generaals en dames uit de betere kringen die weliswaar nog altijd in weelde leven, maar elke dag voelen wat ze zijn kwijtgeraakt met hun oude land. Ze zijn afkomstig uit alle hoeken van China, hadden elk een andere plek in de maatschappij, een ander beroep, andere verwachtingen en teleurstellingen. Maar allemaal zijn ze even ontheemd.

De ik-persoon in ‘Eenzame bloem van de liefde’ (‘Gu lian hua’ 孤戀花) was in Shanghai prostituee/operazangeres en is in Taipei afgegleden tot een ordinair bordeel; als ze in Taipei opnieuw een leven voor zichzelf probeert op te bouwen, verliest ze ook haar nieuwe geliefde. De chique echtgenotes in ‘Herfstoverdenkingen’ (‘Qiu si’ 秋思) slijten hun dagen met roddelen en eindeloos mahjong spelen, maar mevrouw Hua is haar thuis en haar man verloren en heeft nu niets meer om naar uit te kijken in haar leven. Tuinman Wang Xiong in ‘Een zee van bloedrode azalea’s) (‘Na pian xue yiban hong de dujuanhua’ 那片血一般紅的杜鹃花) had in Hunan maar een heel simpel leven, in zijn dorp, met een gearrangeerde verloofde; weggerukt van het beetje wat hij had legt hij nu al zijn hoop en liefde in Taiwan, zodat hij zelfs na zijn dood nog naar het eiland blijft haken.

Als ze er al in slagen om hun oude leven te vergeten, is het door het kweken van heel veel eelt op hun ziel. Zhu Qing in ‘Een handvol groen’ (‘Yi ba qing’ 一把青) was in Nanjing de jonge bruid van een piloot en ging er bijna aan onderdoor toen hij omkwam bij gevechten in de oorlog. In Taipei begint ze een nieuw leven en krijgt ze zelfs weer kennis aan een nieuwe jonge piloot, maar als hij omkomt bij een oefening pakt ze bijna zonder enige hapering haar bezigheden weer op.

En zelfs de meest succesvolle, gevierde personages kijken met niet alleen nostalgie maar zelfs verdriet terug naar het verleden en het vasteland. Generaal Meng-yang in ‘Requiem van Liang Fu’ (‘Liangfu yin’ 梁父吟) wil na de herovering van het Chinese vasteland thuis worden herbegraven, maar tussen de regels door is wel te lezen dat hij en zijn oude strijdmakkers zelf misschien ook al weten dat dat niet zal gebeuren. Hun kinderen zijn naar Amerika vertrokken en hebben geen boodschap meer aan de Chinese cultuur en de waarden van hun vaders – de oude mannen zijn ook de volgende generatie kwijt. Toch gloort er voor generaal Pu nog hoop: zijn zoon heeft zijn kleinzoon teruggestuurd naar Taiwan, waar de oude man zich over het ventje heeft ontfermd. Hij spreekt nu weer Chinees en kan Tang-gedichten voordragen.

Veel migratieliteratuur, of ze nu over Amerika gaat, of Japan, of welk land dan ook, is optimistisch: hier in het nieuwe land gaan we het maken, of op zijn minst het beste ervan maken. De personages in Taipeiers zijn in zekere zin nog in hetzelfde land – de Republiek China – in dezelfde cultuur en onder dezelfde overheid. Taipei is van hen geworden, het wordt bestuurd door een KMT-regering en iedereen moet hun taal spreken. Desondanks kijken deze personages niet vooruit maar terug: naar vroeger, naar het Chinese vasteland, naar thuis, toen ze gevierd waren en succesvol, toen ze een veelbelovende toekomst zagen voor zichzelf, of een toekomst met de persoon van wie ze hielden. De grenzen van China zijn gaan schuiven, Taipei is van het ene land overgezet naar het andere, en de evacués wonen opeens op een plek die wel hun land is, maar niet hun thuis.

Besproken: Pai Hsien-yung 白先勇. Taipei People 台北人 – Chinese-English Bilingual Edition 中英對照, vertaald door Pai Hsien-yung en Patia Yasin (Hongkong: Chinese University Press, 2000).

Gebruikte literatuur:
Liu Jun 劉俊, Bei min qing huai: Bai Xianyong pingzhuan 悲憫情懷:白先勇評傳 (Medeleven en gevoelens: biografie van Pai Hsien-yung) (Taipei 台北: Erya 爾雅, 1995).
David Der-wei Wang (red.). A New Literary History of Modern China (Cambridge/Londen: Harvard University Press, 2017).

vrijdag 31 december 2021

Wat is er dit jaar verschenen: 2021

2021 was een goed jaar voor Chinese literatuur en poëzie in Nederlandse vertaling. Een goed najaar, vooral. Wat is er uitgekomen, in tamelijk willekeurige volgorde:

De droom van de rode kamer
Cao Xueqin
Vertaling Mark Leenhouts, Anne Sytske Keijser en  Silvia Marijnissen

Hét grote Chineseliteratuurnieuws van het jaar, of zelfs van de eeuw tot nu toe: de eerste integrale vertaling rechtstreeks uit het Chinees in het Nederlands van de Droom van de rode kamer is – eindelijk – af! Vertalers Silvia Marijnissen, Mark Leenhouts en Anne Sytske Keijser hebben er twaalf of dertien jaar (afhankelijk van wie je het vraagt) aan gewerkt en wij, de geïnteresseerde lezers, hebben er al die tijd geduldig op gewacht, en nu is het boek er dan.

Het vier delen dikke boek vertelt over de wederwaardigheden van (vooral) de jonge Jia Baoyu en zijn nichtjes, alle telgen uit de rijke familie Jia. Baoyu moet eigenlijk hard studeren, zodat hij net als zijn vader en ooms ambtenaar kan worden en de rijkdom en macht van de familie Jia voort kan zetten, maar liever gaat hij op bezoek bij zijn nichtjes of dolt hij met zijn dienstmeisjes. Tegelijk is het geheel een boeddhistische allegorie: uiteindelijk is alles leegte en ijdelheid. 

De presentatie van het boek, met interessante inleiding door Anne Sytske Keijser, is op YouTube terug te kijken.

Vooral dankzij de inspanningen van Silvia Marijnissen verschijnen er de laatste paar jaar opvallend veel bundels uit het Chinees vertaalde poëzie. Vorig jaar kregen we Yang Mu en Ye Mimi, dit jaar:

Ik schrijf gedichten omdat ik een toeval ben
Jidi Majia
Vertaling Silvia Marijnissen

Jidi Majia (1961) behoort tot de Nuosu, een minderheidsvolk uit de provincie Sichuan. Hij werd bekend met zijn poëzie die stevig geworteld is in de tradities van zijn volk. 

Jidi Majia presenteert ons begripvolle gedichten voor de contingentie die de mens heet te zijn. Wat geluk is, wat lijden, dat moet iedere mens zelf maar uitvinden; het is, zo schrijft hij, niet aan de dichter dat uit te leggen. Daarmee keert hij heus zijn rug niet naar de maatschappij, want geluk en lijden zijn wel degelijk te benoemen.’

Een asgrauwe dageraad
Wang Jiaxin
Verschillende vertalers onder redactie van Silvia Marijnissen

In zijn hele werk is een voorliefde te zien voor het kleine, voor alledaagse details en gebeurtenissen, die Wang een bredere, algemenere waarde geeft. Door die aandacht voor het kleine klinken zijn gedichten vaak bescheiden, en dat wordt versterkt door de rustige toon van de gedichten die beschouwend, bijna vertellend is. Hij schuwt grote woorden en mijdt abstracties. Vrijwel alles is wat het is, wat overigens niet wil zeggen dat er geen diepere, metaforische betekenis achter zijn regels schuilt. Maar hij past geen kunstgrepen toe, laat zich niet verleiden tot woordspelletjes noch tot hermetische beeldspraak.’

Deze bundel is verschenen met subsidie van het Confucius-instituut van Groningen, en vertaald door verschillende vertalers, ervaren en minder ervaren, onder redactie van Silvia Marijnissen. Het Confucius-instituut Groningen heeft na sluiting van het Leidse Confucius-instituut het project van vertaalde bundels overgenomen. In samenwerking met het Leidse instituut zijn eerder verhalenbundels van Su Tong, Bi Feiyu, Xu Zechen en Zhang Yueran verschenen. Deze bundel van Wang Jiaxin is de eerste dichtbundel in de serie. De volgende wordt weer een prozabundel, met werk van Lu Min.

1000 jaar vreugde en verdriet
Ai Weiwei
Vertaling Koos Mebius en Gertie Mulder

De memoires van de bekende kunstenaar en activist Ai Weiwei. Ai Weiwei woont al jaren in Europa, dit boek is (naar ik heb begrepen in overleg met Ai zelf) vertaald uit het Engels en bovendien eerder non-fictie dan literatuur, maar ik zet ‘m wel in deze lijst, mede omdat dankzij de verschijning van Ai Weiwei’s memoires ook het werk van zijn vader, de dichter Ai Qing, nu in vertaling is verschenen:

Sneeuw valt op het land van China
Ai Qing
Vertaling Daan Bronkhorst

Tegelijk met Ai Weiwei’s boek, waarin hij veel schrijft over zijn vader, heeft uitgeverij Lebowski gedichten van Ai Qing uitgegeven, vertaald door Daan Bronkhorst. Van Ai Qing (1910-1996), een van de beroemdste dichters van zijn tijd, waren tot nu toe maar een paar gedichten in Nederlandse vertaling verschenen, dus het is een goede zaak dat er nu een hele bundel van zijn hand te lezen is.

Daan Bronkhorst heeft al heel wat bundels Chinese en andere poëzie vertaald en geredigeerd, goed om te zien dat hij daar na zijn pensioen gewoon mee doorgaat.

Drie lichamen-trilogie
Liu Cixin
Vertaling via het Engels door Eisso Post en Richard Heufkens

In 2020 verscheen deel 1, Het drielichamenprobleem, en dit jaar zijn vrij rap na elkaar de andere twee delen van deze groots opgezette trilogie verschenen. De bewoners van de planeet Trisolaris hebben het bestaan van de Aarde ontdekt door toedoen van een in de mensheid teleurgestelde Chinese wetenschapper. Hun eigen planeet is door de drie eromheencirkelende zonnen instabiel en moeilijk bewoonbaar, dus ze gaan op weg om de Aarde over te nemen. De Aardbewoners ontdekken dit en zetten zich aan de taak om de aanval af te slaan. 

Het is jammer dat deze boeken niet rechtstreeks uit het Chinees zijn vertaald, maar haastig uit het Engels. Evengoed is het verhaal zeer het lezen waard, Liu zet een grootse visie neer.

Gezangen van Chu
Qu Yuan
Vertaling Jeroen Struive

In De gezangen van Chu komt China tot leven. Dit ruim tweeduizend jaar oude klassieke werk bevat een verzameling gedichten en liederen van uiteenlopende toon en inhoud, grotendeels geschreven door de beroemde dichter Qu Yuan, die nog jaarlijks in de Chinese wereld geëerd wordt tijdens het Drakenbootfestival.’ 

Ook dit boek is verschenen met steun van het Confucius-instituut Groningen. Echt mooi dat dat instuut zo literair actief is.



Van mijzelf zou De spijker van Zhang Yueran dit najaar verschijnen. Het zou uitkomen in oktober, nee toch november, papiertekort, boekhandels dicht, het werd doorgeschoven naar januari, en het is nu weer verder uitgesteld. De nieuwe verschijningsdatum is nog onbekend, maar de vertaling is af, de drukproeven zijn nagekeken, dus het boek komt. Ik houd u op de hoogte.

vrijdag 2 april 2021

De laatste dochter van het geluk – Yan Geling

Witte man met Chinese prostituee, dat thema is vaker vertoond. De oerversie is misschien wel The World of Suzie Wong, maar dat is beslist niet de enige. In De laatste dochter van het geluk heet de Chinese prostituee Fusang en leeft ze in het Chinatown van San Fransisco, begin twintigste eeuw. Maar dit verhaal is heel anders dan de meeste boeken in dit thema.

Boek De laatste dochter van het geluk door Geling Yan
De laatste dochter van het geluk

Fusang is niet echt een menselijk personage, ze heeft mythische proporties. Wat anderen ook van haar nemen, zij geeft het van harte weg. Wat anderen haar ook willen aandoen, zij loopt het tegemoet. Ze ondergaat haar ellendige lot niet, ze neemt het bij de hand. Ze is moeder en hoer tegelijk, martelares en verlosser, en haar verhaal omlijst al het geweld waar een Chinese in de VS maar mee te maken krijgt.

Haar landgenoten mishandelen haar: van haar schoonmoeder die haar met de handschoen laat trouwen (of met de haan, in dit geval) om haar als huissloof te kunnen inzetten, tot haar kidnappers, tot de mensensmokkelaars en vrouwenhandelaren, de hoerenmadammen, de mannen die haar misbruiken… Geen onrecht dat haar niet wordt aangedaan, en zij blijft glimlachen.

De blanke* Amerikanen discrimineren intussen de Chinezen: ze worden vernederd, uitgebuit, mishandeld, gelyncht, hun huizen worden in brand gestoken, ze krijgen de schuld van al wat misgaat in de maatschappij. De paar personages die Fusang of haar landgenoten willen helpen, worden evengoed gemotiveerd door vreemdelingenhaat. De nonnen van de Reddingsmaatschappij willen het liefst alle Chinese cultuur uit hun ‘geredde’ Chinese meisjes slaan.

Interessant verschil tussen de Chinezen en de blanken in dit boek is overigens dat de Chinezen die Fusang geweld aandoen, haar wel steeds te eten geven. Het stel dat Fusang ontvoert uit haar dorp biedt haar een portie rijst aan, die ze met smaak naar binnen werkt. Haar madam bewaart een vette vissenkop voor haar, ook al krijgt ze steeds geen klanten. In het ‘hospitaal’ waar ze wordt achtergelaten om te sterven, krijgt ze wel nog een halve kom rijst.

Fusangs blanke minnaar Chris, telg uit een rijke familie, zou in veel van dit soort boeken de good guy zijn, de ridder op het witte paard (letterlijk – Chris rijdt graag paard) die het meisje uit het leven redt, waarop ze samen nog lang en gelukkig etcetera. Maar ook Chris’ houding is een vorm van geweld tegen haar: hij projecteert al zijn exotische lusten op deze mooie hoer met wie hij niet eens kan praten, en ziet haar nooit voor wie ze zelf is. Hij zou het liefst alle Chinezen in San Fransisco verdrijven en vernietigen om haar van hen te redden. En dat is nog los van het letterlijke geweld dat hij haar aandoet.

Waarmee haar andere minnaar, bad guy Dayong, een Chinees met vijf werpmessen in zijn bezit, die in elke criminele activiteit in Chinatown wel een vinger in de pap heeft en voor wie blanken al even bang zijn als Chinezen, op een bepaalde manier de good guy wordt, omdat hij haar laat zijn wie ze is: een godin die alles geeft en iedereen vergeeft, een soort heilige, een bodhisattva bijna.

De geschiedenis van Fusang is gevat in een raamvertelling, waarin een Chinese in de jaren ‘90, getrouwd met een blanke Amerikaan, zich verdiept in het leven van deze legendarische prostituee en maar al te veel herkent: het onbegrip, en het geweld tegen de Chinezen in de VS. Dat is nu, weer dertig jaar later, helaas nog altijd onverminderd actueel.

Besproken: De laatste dochter van het geluk door Yan Geling, vertaald door Marc van der Meer (Amsterdam: Cargo, 2002).

Ook genoemd: The World of Suzie Wong door Richard Mason (Collins, 1957).

* Het vertaalde boek (uitgekomen in 2002, dus voor de blank/wit-discussie) gebruikt consequent ‘blank’. Ik volg in deze recensie de woordkeus in het boek.

vrijdag 12 februari 2021

Friday Five: Boeken die beginnen met een S

Friday Five is een ding, ontdek ik vandaag: een andere boekblogger noemt elke week een categorie en dan maak je daar een blogje over. Deze week: boeken die met een S beginnen. Daar gaan we dan, een divers lijstje:

Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, verzameld en vertaald door W.L. Idema
Standaardwerk van enorme waarde. In dit boek staat niet álle klassieke Chinese poëzie, maar wel ontzettend veel, en uit de gehele periode van het Boek der oden tot en met de Qing-dynastie, waarna men vooral moderne poëzie ging schrijven. Het is dus allemaal oud, maar veel ervan heeft niets aan herkenbaarheid ingeboet. Bespiegelingen over landschappen, over reizen, over ouder worden, over het plezier dat een klein dochtertje in huis brengt en het diepe verdriet als ze overlijdt.

Spannend spel van Wang Shuo (vertaald door Jan Willem van Bragt en Yuhong Gong)
Fang Yan wordt van moord beschuldigd en moet uitzoeken wat er gebeurd is, maar verder neemt hij zichzelf en het leven niet al te serieus. Roman met veel geouwehoer, drinken, roken en naar vrouwen kijken. Nogal lang geleden dat ik hem gelezen heb, maar ik herinner me 1) dat oorzaak en gevolg, en heden en verleden, omgekeerd worden verteld, waardoor je uiteindelijk wel weet hoe het allemaal zat maar het tegelijk niet helemaal begrijpt; en 2) de vrij meesterlijk vertaalde bijnaam van een vrouwelijk personage: Pleegzuster Bloedgeil.

Shanghai baby van Wei Hui (vertaald via het Frans door Eveline Renes en Dorli Huvers)

Shanghai baby
Coco, alter ego van de schrijfster zelf, fladdert door het Shanghainese nachtleven van de jaren ‘90, doet het niet met haar impotente Chinese vriend maar wel met een brute Duitser.

Wei Hui is vooral de moeite waard omdat ze schreef over een leven dat kort daarvoor helemaal niet bestond. In de jaren ‘60 en ‘70 waren de Chinezen verwikkeld in de verwoestende Culturele Revolutie, in de jaren ‘80 waren ze druk doende economisch uit het dal te klimmen, en in de jaren ‘90 pas kwam er een behoorlijke hoeveelheid glamour, merknamen en vrije seks beschikbaar. Dat is het leven waar Wei Hui over schrijft, en al leest het vreselijk oppervlakkig, het is alleen al om die reden de moeite waard.

Schemering boven Shanghai
Schemering boven Shanghai van Yue Tao (vertaald door mij)
Na een jarenlang verblijf in Nederland is Lan teruggekeerd naar Shanghai, waar ze is opgegroeid. Ze heeft haar ouders nooit gekend, ze is grootgebracht door haar oom en tante. Terug in Shanghai komt ze opnieuw in contact met oude vrienden en begint ze in haar verleden te graven. Wie waren haar ouders eigenlijk, wat is er in de Culturele Revolutie voorgevallen waar niemand meer over wil praten, en wat heeft een geheimzinnig oud boek over krekelvechten daarmee te maken?

Een fijn boek, vol mysteries die stukje bij beetje worden opgehelderd. Je staat het hele boek lang achter de hoofdpersoon, ook al lijkt die soms niet zo sympathiek. Destijds leek me dat een tekortkoming, maar Yue Tao heeft intussen haar tweede boek geschreven, waarin we Lan beter leren kennen, en daarin blijken haar minder sympathieke trekjes juist bijzonder interessant uit te pakken.

De spijker van Zhang Yueran (wordt vertaald door mij)
De spijker

Na achttien jaar te zijn weggeweest is Li Jiaqi terug in de wijk in Jinan waar ze is opgegroeid, en ziet ze daar ook haar jeugdvriendje Cheng Gong terug. Ze raken in gesprek en vertellen elkaar over hun leven. Gaandeweg wordt duidelijk hoe hun families aan elkaar verbonden zijn door een misdaad uit de Culturele Revolutie, waarbij de opa van Cheng Gong in coma is geraakt nadat hem een spijker door het hoofd is geslagen.

Mooi literair boek: alles grijpt in elkaar, soms in de grotere lijnen, soms juist in de details. Hier en daar herinneren Jiaqi en Cheng Gong zich de gebeurtenissen verschillend, of blijkt dat ze dingen heel anders beleefd hebben, en dat geeft het boek nog meer diepte.

Voila, vijf boeken die beginnen met een S. Nu maar weer aan het werk, want ik ben nog lang niet klaar met het vertalen van dat vijfde boek.

Boeken:
W.L. Idema, Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, van het Boek der oden tot de Qing-dynastie (Amsterdam: Meulenhoff, 1993).
Wei Hui, Shanghai baby, vertaald via het Frans door Eveline Renes en Dorli Huvers (Amsterdam: Contact, 2001).
Wang Shuo, Spannend spel, vertaald door Jan Willem van Bragt en Yuhong Gong (Breda: De Geus, 1997).
Yue Tao, Schemering boven Shanghai, vertaald door Annelous Stiggelbout (Breda: De Geus, 2015; herdruk Lierderholthuis: Leonon, 2019).
Zhang Yueran, De spijker, vertaald door Annelous Stiggelbout (in voorbereiding, verwacht later in 2021 bij Prometheus).

vrijdag 8 januari 2021

Het drielichamenprobleem – Liu Cixin

Het drielichamenprobleem

Een jonge Rode Gardiste wordt doodgeschoten door een lid van een vijandige factie, een professor wordt doodgeslagen voor de ogen van zijn familie, en zijn dochter Ye Wenjie wordt afgevoerd naar een afgelegen legerbasis, met de boodschap dat ze daar niet meer vandaan zal komen. ... 

Lang blijft onduidelijk wat de drie verhaallijnen van Het drielichamenprobleem met elkaar te maken hebben, maar dan brengt Liu Cixin ze bij elkaar en blijken ook schijnbaar onmogelijke gebeurtenissen geheel overtuigend en op grootse wijze verklaard te kunnen worden. De werkelijkheid die we zien is niet de enige werkelijkheid: een computerspel is niet zomaar een computerspel, een afgelegen onderzoeksbasis blijkt contact te kunnen leggen met buitenaards leven, en zelfs een waterstofatoom blijkt meer te kunnen zijn dan een piepklein waterstofatoom.

Lees de rest van mijn recensie van Het drielichamenprobleem op de website van Trouw.

vrijdag 11 december 2020

Broeders van het Groene Woud

Ik ben bezig met de vertaling van de nieuwste roman van Zhang Yueran, die De spijker zal heten (eerdere werktitel was Cocon), en daarbij loop ik (uiteraard) regelmatig tegen lastige vertaalkwesties aan. Bijvoorbeeld als Zhang schrijft over de spelletjes van de twee hoofdpersonen.

Chinese editie van De spijker,

Twee kinderen zijn op zoek zijn naar een plek om ongestoord eindeloos te kunnen spelen. Buiten, in het compound waar ze wonen, worden ze overal weggejaagd, maar dan heeft de ene de oplossing: zijn opa, die in vegetatieve toestand is, ligt in zijn eentje op een ziekenhuiskamer. Dáár kunnen ze terecht! Zo gezegd, zo gedaan. En opa wordt al snel onderdeel van hun spel (ja, dat is wat macaber).

In die kamer bedachten we een aantal nieuwe spelletjes, waarin mijn vegetatieve opa een onmisbaar rekwisiet was.

Weet je nog hoe we hem een keer van top tot teen in verband hadden gewikkeld, als een mummie? Dat was een flinke klus, we zijn er een hele zaterdagmiddag mee bezig geweest. Je had stiekem verband meegenomen van huis, maar helaas was het niet genoeg: toen we bij zijn benen aankwamen, moesten we ons behelpen met restjes stof van mijn oma’s naaiwerk. Opa zag eruit als een bonte papegaai. Jij en ik waren grafrovers uit een ver land die naar Egypte waren gereisd en in een grafkelder deze vreemde mummie ontdekten.

Op een andere middag zetten we hem rechtop, zijn bovenlichaam ondersteund door een krukje, en schreven we zijn rug helemaal vol met karakters. Karakters die we zelf samenstelden uit onderdelen van andere karakters, niemand in de hele wereld kon ze lezen. We deden of dat het zeldzame handboek was van een langverloren kungfu-traditie. Deze keer waren we twee rondreizende 侠客 die verdwaald waren in een geheimzinnige tunnel, waar we de tekst ontdekten op een mensenhuid.

En daar stuitte ik op een lastig woord, want wat doe je met 侠客 xiake?

Lees op het Boekvertalers-blog hoe ik deze vertaalkwestie heb opgelost.

vrijdag 20 november 2020

Broers – Yu Hua

Ik had Broers nog nooit opengedaan, maar ik wist twee dingen over de inhoud: er wordt naar vrouwenkonten gegluurd op een openbaar toilet en er wordt een missverkiezing voor maagden georganiseerd, beide door de hoofdpersoon. Dat waren blijkbaar de meest opvallende kenmerken van het werk en in zo’n seksistisch verhaal had ik weinig trek.

Maar goed, ik bezit het boek wel en het is werkelijk een báksteen, niet minder dan 861 pagina’s en ruim 7 centimeter dik, dus toen ik een paar weken leestijd overhad besloot ik het dan maar te gaan lezen, dan was meteen mijn nog-te-lezen-stapel een flink stuk dunner.

Het is inderdaad seksistisch en vol geweld, zoals je wel meer ziet bij Chinese schrijvers van die generatie. (Yu Hua is van 1960.) Het belangrijkste vrouwelijke personage, Lin Hong, ‘het mooiste meisje van het stadje’, krijgt van verschillende personages (maar vooral hoofdpersoon Kaalkop Li) zo’n beetje alle seksuele ellende over zich heen die een vrouw kan meemaken. Ze wordt begluurd op de wc, haar kont wordt uitgebreid besproken met elke geile bok die erover horen wil, ze wordt gestalkt en lastiggevallen en nog meer gestalkt. Dan trouwt ze met de andere hoofdpersoon, Song Gang, en heeft ze een poosje rust als ze met hem een fijn leven leidt. Vervolgens wordt ze weer eindeloos seksueel geïntimideerd, nu door haar baas; en uiteindelijk wordt ze verkracht door Kaalkop Li. Aan het eind van het boek is ze een succesvol hoerenmadam. Er zal wel een moraal aan dat slot zitten.

Verder is er nog Moeder Su, wier partner haar met een onecht kind heeft laten zitten. Later treft die dochter bijna hetzelfde lot. En er is de maagden-missverkiezing, wat an sich al seksistisch genoeg is, maar de maagden worden ook nog door de gehele mannelijke bevolking van het dorp betast en beknepen en om de verkiezing te winnen moeten ze met de tienkoppige jury en/of Kaalkop Li naar bed. Na inbrengen van een nep-maagdenvlies natuurlijk.

Dan het geweld: de vader van Song Gang, toonbeeld van mannelijke deugd Song Fanping, wordt tijdens de Culturele Revolutie op bloedige wijze gelyncht. Zijn lijk ligt een poos op straat tot de broertjes Kaalkop Li en Song Gang het vinden, het wordt naar huis gebracht, enfin het is een gore ellende. Een van de schuldigen pleegt later zelfmoord door zichzelf met een baksteen een spijker door de schedel te slaan. (Tussen haakjes: wat is dat met spijkers door schedels? Er zitten er twee in Nagels in Ning-tsjo en ook al een in De spijker, het boek van Zhang Yueran dat ik nu aan het vertalen ben.) Door het boek heen worden er regelmatig mensen om vrij weinig in elkaar geslagen, steeds weer. Song Gang pleegt aan het eind zelfmoord door voor een trein te gaan liggen, die hem finaal doormidden rijdt.

Yu Hua in Leiden, april 2018.
Vlnr: Mark Leenhouts, ik (tolk), Yu Hua.

Deugt er dan helemaal niks aan dit boek? Jawel, dat dan weer wel. Het is hilarisch geschreven. De lotgevallen en schavuitenstreken van broertjes Kaalkop Li en Song Gang zijn een genot om te lezen. De manier waarop Kaalkop Li van mislukking in succes rolt en van succes in mislukking, soms door zijn eigen inspanningen, soms door puur geluk en meestal op absurde wijze, zijn geweldig. Het boek is episodisch opgebouwd, het bestaat grotendeels uit losse verhalen: Kaalkop Li maakt een succes van de sociale werkplaats; Song Gang krijgt verkering met Lin Hong; Kaalkop Li wordt een lokale en dan een landelijke en dan een internationale afvalmagnaat; heel het mannelijk deel van het stadje Liuzhen loopt in tweedehands Japanse pakken en vermaakt zich met de achternamen die daarin geborduurd zijn; Zhou You verkoopt kunst-maagdenvliezen; en nog veel meer. De verhalen geven steeds een mooi beeld van een stadje in China in een bepaalde tijd, of juist in de overgang van de ene tijd naar de andere. Alle verhalen worden naadloos aaneen geregen met de levens van Kaalkop Li en Song Gang. Al met al is Broers zeer goed geschreven en opgebouwd, en de meeste van de deelverhalen zijn een plezier om te lezen.

Het boek is ook werkelijk meesterlijk vertaald: alle retorische herhalingen die Yu Hua gebruikt en die in het Chinees meestal veel beter werken dan in het Nederlands zijn in de vertaling behouden en op een manier dat ze werken. Jan De Meyer is erin geslaagd heel dicht bij het Chinees te blijven en tegelijk een fantastische Nederlandse tekst af te leveren en dat is geen sinecure. Om de boel goed gaande te houden staat alle uitleg in eindnoten, en hoewel ik daar meestal geen voorstander van ben pakt het in dit geval goed uit.

Dus ja, seksistisch, gewelddadig, en tegelijk: ja, het is niet voor niks dat dit boek zo bekend en populair is.

Besproken: Broers door Yu Hua, vertaald door Jan De Meyer (Breda: De Geus, 2012).