Het verhaal begint intrigerend met Siù-tsú, een Han-Taiwanees meisje, en Tunux, een Truku jongen, die elk via een andere grot in het lichaam van een reus terechtkomen. Reuzen houden van grappen, en deze reus had hen allebei voor de lol naar binnen gelokt. In de reus maken ze kort kennis maken met elkaar. Doordat het meisje een lucifer bij zich heeft, kunnen ze elkaar heel eventjes zien (binnen in een reus is het, net als binnen in de hond van Groucho Marx, pikdonker).
Het mooie aan literatuur boven bijvoorbeeld film is dat je bepaalde dingen vaag kan houden, zodat iedere lezer zich zelf een voorstelling mag maken van hoe groot die reus is en hoe dat werkt met die grotten zijn lichaam in. Kan je als je door zo’n grot loopt zien waar de rots ophoudt en het binnenste van de reus begint, en hoe merk je dat dan? Of is er geen verschil tussen rots en reus? Is een reus zo groot als een berg, of kan hij tussen de bergen doorlopen? Is hij een berg, of vlijt hij zich meer tegen een bergrug aan? In een film zou het allemaal zichtbaar moeten zijn, met al dan niet geslaagde special effects, heel gelikt of juist expres knullig, maar in literatuur kan het gewoon allemaal letterlijk onvoorstelbaar blijven en hoeft het niet altijd met zichzelf te kloppen.
Ik ging er vanuit dat Siù-tsú en Tunux na hun avontuur in de reus-grot door het literaire lot aan elkaar verbonden zouden zijn, en in zekere zin is dat misschien zo, maar niet zo letterlijk als ik verwacht had. Beiden groeien apart van elkaar op, elk in hun eigen dorp, met hun eigen ervaringen en tegenslagen die boeiend en lezenswaardig zijn maar die ik hier toch oversla, anders wordt dit stuk zo lang. Uiteindelijk komt zij, inmiddels met een dochtertje, weer naar het Truku dorp waar hij ook al een poos weer woont. Ik schrijf hier even ‘dorp’, maar in het Mandarijn staat er bùluò 部落. Een wat lastig te vertalen woord: de bùluò is de fysieke groep huizen, maar ook de inheemse gemeenschap die bij elkaar woont op die plek.
Het dorp wordt bedreigd door de geplande bouw van een cementfabriek en een elektriciteitscentrale, waarbij ook de berg waar de mannen van het dorp al generaties lang in de bossen op zwijnen en muntjaks jagen eraan zal gaan. Een activiste uit Taipei, op bezoek bij haar Taipeise vriendin die juf is geworden op de dorpsschool, besluit ter plekke in actie te komen. Tunux en anderen sluiten zich bij hen aan, de beweging wordt steeds groter en weet echte druk uit te oefenen op de beleidsmakers. Het zijn opwekkende hoofdstukken om te lezen: er wordt een beweging opgebouwd, steeds meer mensen gaan ergens voor. Helaas slagen ze uiteindelijk niet. De cementfabriek komt er toch, de berg wordt vernietigd en er komt een permanente stofwolk in het dorp te hangen.
Siù-tsú, die zich inmiddels Jade noemt, heeft de plaatselijke karaoketent overgenomen en groots uitgebreid tot Club Zeebries. Ze ziet kansen als de bouwvakkers en ingenieurs van de cementfabriek neerstrijken. Ook dit zijn boeiende passages om te lezen: Jade bouwt met vaste hand haar kleine imperium op, waarbij ze goed voor haar barmeisjes zorgt maar tegelijk de wind er goed onder heeft. Haar dochtertje Meeuwtje kan in dit dorp ook ontspannen en gaat graag buiten op allerlei plekken tekenen.
Op een dag lokt de reus Meeuwtje naar zich toe. Niet voor de grap deze keer, maar om hem te helpen. Meeuwtje komt in het hart van de reus terecht en hoort daar wat de fabriek voor hem heeft betekend.
De reus speelt uiteindelijk geen grote bepalende rol (zoals ik wel hoopte, zeker aan het eind, maar ik zal niet spoilen). Hij is meer symbool van de natuur, wat hem overkomt is wat de natuur en het milieu worden aangedaan. Maar Wu Ming-Yi is er heel mooi in geslaagd de Truku reuzenmythe te combineren met de lotgevallen van de ervaringen van inheemse Taiwanezen en het milieuactivisme.
